Biores

Nieuws

Vijf vragen over biogas in Overijssel aan …


Astrid Pap, beleidsadviseur bio-energie provincie Overijssel



1. Stimuleert uw provincie productie en benutting van biogas? Zo ja, op welke wijze en waar (indien het accent op bepaalde regio’s ligt)?

De provincie Overijssel heeft een ambitieuze doelstelling: tot 2020 willen we 20% nieuwe energie (hernieuwbare energie) uit biomassa, bodem, wind en zon halen. De meeste nieuwe energie zal uit biomassa moeten komen, omdat we als groene provincie veel biomassa hebben.

Het zwaartepunt ligt dus bij bio-energie, vandaar dat we in 2008 zijn gestart met het deelprogramma duurzame energie uit biomassa, binnen ons uitvoeringsprogramma Energiepact. De focus ligt daarbij op vergisting, omdat deze techniek zich bewezen heeft en breed inzetbaar is. Maar we ondersteunen ook andere innovatieve projecten. Dat zijn vaak koploperprojecten zoals de bouw van de pyrolysefabriek in Hengelo.

We hebben sinds 2008 een brede subsidieregeling, met een prominente plaats voor bio-energie. Een investeringssubsidie voor een mestvergister kan bijvoorbeeld oplopen tot bijna twee ton. Ook worden haalbaarheidsstudies ondersteund.

Daarnaast hebben Provinciale Staten het besluit genomen om een Energiefonds op te richten met een omvang van 250 miljoen euro. Meer dan de helft van dat budget zal ingezet worden voor opwekking van nieuwe energie. Medio 2012 zal het fonds operationeel zijn. Het fonds is er vooral voor grote projecten.

 

We ondersteunen de projecten in heel Overijssel, er is geen voorkeurregio.

Wat de ontwikkeling rond biogashubs betreft, zijn er inmiddels projecten in Salland en Twente gestart, terwijl in Steenwijkerland een haalbaarheidsonderzoek wordt uitgevoerd. Andere projecten zullen volgen.

Deze ontwikkelingen passen uitstekend in ons Masterplan Groen Gas, waar we vooral samen met netbeheerders kansrijke Groengashub-gebieden in Overijssel in beeld brengen.

Verder is er onze ondersteuning voor aardgastankstations, als voorlopers voor het tanken van groengas. Inmiddels zijn het er al twaalf in Overijssel. En de ROVA in Zwolle voedt haar uit GFT-afval geproduceerd biogas zelfs in op het gasunienet.

 

De provincie Overijssel werkt op het gebied van energie en klimaat, en vooral bij Groengasprojecten samen met de provincie Gelderland. We zijn ook betrokken bij een drietal Interreg-projecten, waaronder Biores,  alle gericht op het bevorderen van beschikbaar komen van biomassa, groengasprojecten en kennisuitwisseling.

 

2. Waar (in welke sector en welke regio van uw provincie) liggen volgens u de beste kansen voor biogas?

De biogashub-projecten ontstaan in kansrijke gebieden die uit het Masterplan naar voren zijn gekomen. Maar er is sprake van meer biogasprojecten zoals de ontwikkeling van kleinschalige mestvergisting in minivergisters. Een eerste prototype voor puur mest staat in Langeveen. Enkele boeren elders hebben al belangstelling getoond voor deze mini-installaties, die goed in te passen zijn wat betreft bestemmingsplannen en milieu.

Uniek is de bouw van een monovergister, in de Ola-ijsfabriek in Hellendoorn. Begin volgend jaar vindt de feestelijke opening plaats.

Sinds medio dit jaar hebben we in Overijssel twee operationele GFT-vergisters in gebruik, bij ROVA in Zwolle en bij Twence in Hengelo. Hier wordt afval vergist dat bij de gemeenten in Overijssel wordt ingezameld.

De meeste potentie voor nieuwe installaties ligt naar mijn mening bij mestvergisting, mestraffinage en mest-co-vergisting. Want Overijssel heeft enkele mestoverschotgemeenten. Hier liggen duidelijk nog kansen, evenals bij de vergisting van zuiveringsslib of combinaties van slib met andere reststromen.

 

Bij de komst van aardgastankstations als voorloper voor het tanken van groengas, streven we naar een evenwichtige spreiding over de hele provincie. Dat lijkt ook te lukken.

 

3. Scoort uw provincie qua benutting van biogas beter of slechter dan het landelijk gemiddelde? En waarom, denkt u?

Qua productie van biogas doet Noord Nederland het beter dan Overijssel. Daar zijn dan ook geen mestoverschotgebieden en kunnen boeren het digestaat (reststroom na vergisting) goed kwijt.

We hebben in Overijssel ten opzichte van het Nederlandse gemiddelde nog steeds een achterstand wat betreft het aantal vergisters. En als we hier over de grens kijken naar Duitsland, worden we jaloers.

Aan de ondersteuning door onze provincie ligt het niet, we hebben een ruim stimuleringsbeleid. Voor een initiatief telt vooral of er SDE kan worden verkregen, dat is de landelijke exploitatiesubsidie voor de duur van 12 jaar. De SDE wordt elk jaar gewijzigd en vastgesteld. Het budget is beperkt, en daarom is het nog steeds een loterij. Ook zien we dat banken erg terughoudend zijn met de financiering van een bioproject.

 

4. Wat is de plaats van biogas – bijvoorbeeld ten opzichte van zonne-energie - in het Overijssels beleid ten aanzien van duurzame energie? Komt dit overeen met de Haagse visie en inspanningen ten aanzien van duurzame energie? En (hoe) onderscheidt Overijssel zich hier van Gelderland?

Zie voor ons beleid het antwoord op vraag 1. Bio-energie is het zwaartepunt in ons beleid, de meeste nieuwe energie moet uit biomassa komen. Daarin verschillen Gelderland en Overijssel niet veel van elkaar. Wat de potentie aan biomassa en de problematiek rond de mestvergisting betreft, is de situatie zeker vergelijkbaar. Vandaar dat we samenwerken met Gelderland en ook samenwerken in landelijke werkgroepen.

 

5. Waarin ligt naar uw mening het belang van de contacten tussen uw provincie en de naburige Duitse (eu)regio op het gebied van duurzame energie/biogas?

In Duitsland zijn veel meer biogasprojecten operationeel. De uitgangspunten zijn in Duitsland gunstiger, zoals het EEG met haar feed-in subsidie, de ruimtelijke inpassing in het buitengebied, en de regelgeving rond co-vergisting. In Duitsland worden biogasinstallaties al langer fors gestimuleerd. Qua digestaatproblematiek en de zoektocht naar alternatieve co-substraten, zijn er overeenkomsten. Wat de techniek aangaat, kunnen we eveneens leren van Duitsland. De Duitsers hebben duidelijk een voorsprong bij biogas, maar krijgen te maken met knelpunten, die wij mogelijk kunnen voorkomen, zoals de verzadigde acceptatie bij burgers van grote co-vergisters, die grote oppervlakten benodigen voor de aanbouw van enorme hoeveelheden energiemaïs.

Je ziet ook bij export en import van biomassa over en weer dat samenwerking nuttig is en we het liefst een gelijk speelveld hebben.

Verder gelden samenwerking en leren van elkaar zeker ook voor energiebesparing in de bebouwde omgeving en bij bedrijven, en op andere energiegebieden.

 

En tot slot, vanuit mijn achtergrond - ik ben Duitse - is samenwerking met Duitse collega's altijd erg prettig voor mij en allesbehalve een struikelblok voor samenwerking.